U bent hier: Home / Toelichting op de thesaurus / Richtlijnen voor (nieuwe) termen

Richtlijnen voor (nieuwe) termen

Inhoud en richtlijnen voor een Nederlandstalige kandidaat concept: 
Benodigde informatie voor opname in de Engelstalige AAT: 
  • Een Engelse vertaling van het Nederlandstalige concept.
  • Engelse bron(nen) die gebruikt zijn voor de vertaling.
  • Een Engelse vertaling van de scope note (met bronvermelding).
 

Toelichting
 
1. Term (verplicht)
1.1 Definitie: Een term, bestaande uit een of meerdere woorden, die verwijst  naar een karakteriseerbaar uniek concept. Let op: samenstellingen worden altijd kritisch beoordeeld (zie paragraaf 1.4 en 2).

1.2 Voorkeursterm
Een concept kan meerdere termen bevatten, maar er is slechts één voorkeursterm.
De voorkeursterm is de term die het meest gebruikt wordt in algemene standaard- en naslagwerken.

1.3 Regels en Spelling
De voorkeursterm is het woord of zijn de woorden die het meest gebruikt wordt of worden in wetenschappelijke literatuur om het concept aan te duiden. Zie voor de schrijfwijze van descriptoren de spellingsregels zoals beschreven in de nieuwste editie van het Groene Boekje van de Nederlandse Taalunie. Indien andere gezaghebbende bronnen als Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal of het Witte Boekje andere spellingsregels hanteren, dan wordt deze schrijfwijze opgenomen als een variant (equivalente term). Uitgesloten zijn eigennamen van personen, organisaties, geografische plaatsen en evenementen.

1.4 Pre- en postcoördinatie
Precoördinatie is niet toegestaan in de AAT. Er is sprake van precoördinatie als een combinatie van twee of meer concepten een zelfstandig concept vormen in de thesaurus. De richtlijn voor thesaurusbouw, stelt dat samenstellingen, indien mogelijk gesplitst moeten worden in meerdere (semantische) delen. Zoals bijvoorbeeld bij 'Chinese vaas', dit object wordt beter geannoteerd en gezocht door de concepten 'Chinees (stijl en cultuur)' en 'vazen' te combineren in de zoekfase. Dit heet postcoördinatie.

1.5 Alfabet
Gebruik het Romeinse alfabet.

1.6. Keuze woordsoort voorkeursterm per hiërarchie.

N.B.: niet alle hiërarchieën staan hieronder vermeld.
Hiërarchie Abstracte begrippen
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord. Het gebruik van enkelvoud of meervoud wordt bepaald door voorkeuren in algemeen gebruik (ondersteund door bronvermeldingen).

Fysieke kenmerken
De voorkeursterm is ofwel een bijvoeglijk naamwoord ofwel een zelfstandig naamwoord. Bepaal de keuze op basis van algemeen gebruik, gewoonte en behoefte.

Hiërarchie Toestanden en Invloeden
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord.

Hiërarchie Ontwerpelementen
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord in meervoud, behalve wanneer in het algemeen taalgebruik het enkelvoud gangbaar is.

Hiërarchie Kleuren
De voorkeursterm is een zelfstandig of een bijvoeglijk naamwoord; maak de keuze die passend lijkt.

Facet Stijlen en Perioden
De voorkeurstermen in dit facet zijn bedoeld als bepalingen (bepaling van tijd of streek) en horen daarom, indien mogelijk, in de bijvoeglijke vorm opgenomen te worden. Is dit niet mogelijk dan kan de zelfstandige vorm (als zelfstandige bepaling) opgenomen worden.

In de secties waar de moderne – en post-1945-tijd behandeld wordt is de voorkeursterm een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van de descriptor van een artistieke beweging (bijv. conceptueel of constructionistisch).

Hiërarchie Personen
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord in meervoud.

Hiërarchie Organisaties
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord in meervoud.

Hiërarchie Levende Organismen/Organismes
Voorkeurstermen zijn de wetenschappelijke taxonomische namen (met beginhoofdletter).
N.B. Deze hiërarchie is nog niet beschikbaar in de Nederlandse versie (2007).

Hiërarchie Vakgebieden
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord in enkelvoud, behalve waar in het dagelijks gebruik het meervoud gangbaar is.

Hiërarchie Functionele Activiteiten
De voorkeursterm is een zelfstandig werkwoord of de meest gebruikte zelfstandige vorm.

Hiërarchie Gebeurtenissen
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord in meervoud, tenzij algemeen gebruik het enkelvoud voorschrijft.

Hiërarchie (Fysieke en Geestelijke Activiteiten (N.B. nu nog Lichamelijke Activiteiten)
De voorkeursterm is een zelfstandig naamwoord of een zelfstandig werkwoord.

Hiërarchie Procédés en Technieken
De voorkeursterm is een zelfstandig werkwoord of een zelfstandig naamwoord, afhankelijk van behoefte en gebruik.

Qualifier
Qualifiers achter termen (tussen ronde haken) worden alleen toegevoegd als het nodig is om de term te onderscheiden van identiek geschreven termen met een andere uitspraak en/of betekenis die eveneens in de AAT voorkomen. De qualifier geeft de ondubbelzinnige betekenis van een term weer. Vaak wordt hiervoor de broader term gerbruikt.

2. Richtlijnen samengestelde termen


Elke term moet een concept of een gedachte-eenheid vertegenwoordigen en kunnen worden gerangschikt in een genus-soort relatie in de AAT hiërarchie. Een enkel concept wordt vaak uitgedrukt door een enkel woord, maar in veel gevallen kunnen meerdere termen nodig zijn om het concept te vertegenwoordigen. Een meervoudige term voor een concept heet een samengestelde term. Een samengestelde term heeft meestal een focus woord en een of meer modifiers.

  • Bijvoorbeeld: gebrandschilderd glas, hoog-gotisch, waterverf, luchtbogen

N.B. Woordenboeken verschillen in hun beleid ten aanzien van het opnemen van samengestelde termen, en dus zijn ze niet altijd autoriteiten over wat wel en wat niet een samengestelde term in de AAT zou moeten zijn.

Een snelle test: Als een van de onderdelen van de samengestelde term apart een ander concept uitdrukt dan wanneer ze deel uitmaken van de samengestelde term dan kunnen we ze samenvoegen in een samengestelde term. Als onderdelen van een samengestelde term dezelfde betekenis uitdrukken of ze nu deel van een samengestelde term uitmaken of niet, dan (meestal) hier geen samenstelling maken.

Er bestaan uitgebreide richtlijnen voor samenstellingen in de AAT in de Getty thesaurusrichtlijnen (Engels).

Wanneer samengestelde termen vermijden?

Zoals de  ISO (International Organization for Standardization) heeft verklaard, is het omgaan met samengestelde termen een van de moeilijkste gebieden van de thesaurusbouw en indexatie. Termen in de thesaurus moeten eenvoudig of eenduidige concepten vertegenwoordigen; samengestelde termen of onderwerpen moeten waar mogelijk in eenvoudigere elementen worden opgedeeld.

Bijvoorbeeld: barok + kerken;  barok + standbeeld; natuursteen + muren; natuursteen + traptreden


 
3. Richtlijnen voor bronvermelding: 
In de bronvelden moeten alle benodigde gegevens staan over een literatuurverwijzing of andere publicatie die nodig zijn om de aangehaalde term in dat werk terug te vinden. Omdat dit vaak vrij veel (specifieke) informatie is, is de manier waarop dit gebeurt (volgorde, lay-out en evt. afkortingen) gestandaardiseerd:
 
  • De voorkeursterm moet worden ondersteund door drie bronnen. Voor synoniemen, alternatieve termen  en de scope note is één bron nodig. 
  • Alleen gezaghebbende bronnen zijn toegestaan. Citeer geen persoonlijke websites of ongepubliceerd werk van niet-professionele schrijvers. N.B.: Een van de bronnen mag een woordenboek of andere informatietaal zijn.
  • Gebruik de informatie en spelling die op de titelpagina van het boek of boven het artikel staat, ook al is die spelling ouderwets of niet gelijk aan de voorkeurspelling. Voor auteurs (voor)namen geldt ook: overnemen wat op het titelblad staat. Is dat bijvoorbeeld de hele voornaam, neem dan de hele voornaam over. 
  • Betreffende boeken in de drie moderne talen (Frans, Duits, Engels): als het boek niet in de oorspronkelijke taal voorhanden is, gebruik dan de Nederlandse vertaling. Verwijs dan ook naar de Nederlandse titelbeschrijving. Is de titel niet in een van de drie moderne talen, noteer dan eerst de oorspronkelijke titel cursief, daarachter tussen haakjes de Nederlandse vertaling (niet cursief). 
  • Hoofdletters alleen daar waar je die in een normale zin ook zou verwachten.
  • Gebruik voor de voorkeursterm de meest actuele en gezaghebbende bron.


Voorbeelden

De opmaak van een bronverwijzing verschilt per publicatievorm (bundel, boek, tijdschriftartikel, etc.)
Gebruik onderstaande voorbeelden als leidraad. Let bij het overnemen extra goed op:

• volgorde van de gegevens (auteur, titel, plaats en jaar)
• komma’s, spaties en punten.
• staat iets cursief, tussen aanhalingstekens of tussen haakjes?
• standaardtoevoegingen: (ed.) ‘in:’ ‘e.a.’ etc.

  • Boek
    Renkema, J., Schrijfwijzer, Handboek voor duidelijk taalgebruik. (3e druk; 's-Gravenhage 1995).
    [Auteur(s). Titel. (editie/druk; [indien niet de eerste] Plaats, jaar van uitgave [van de gebruikte editie/druk] Let op: alleen de druk te vermelden als het een herziene druk betreft].
     
  • Tijdschriftartikel
    Wagt, van der, J. ‘Ruimteavontuur, Wat heeft de ESA in het heelal te zoeken?’. Intermediar 14 (2008) 47-51.
    Auteur(s), ‘Titel’. Tijdschrifttitel [cursief] nummer van de jaargang (jaartal) pagina’s.[Laat de vermelding van het woord ‘pagina’ of afkorting ‘pgn.’ Achterwege.]
     
  • Artikel in een bundel
    Schuwirth, L. ‘Toetsen met korte casussen’ in: H. van Berkel, A. Bax (ed.), Toetsen in het hoger onderwijs. (Houten 2002) 119-134.
    [Auteur(s). ‘Titel’, in: [Let op: alleen bij een artikel uit een bundel wordt het woordje 'in:' toegevoegd.] samensteller(s) [Bij een bundel met een redactie of samensteller voeg je "ed." aan de naam toe. "ed." is de afkorting voor 'editor' of 'edidit'.], Titel van de bundel. (Plaats jaartal) pagina’s]
  • Artikel in krant
    Biederman, W., ‘Damascus brengt zichzelf opnieuw schade toe’, De Volkskrant, 13 juli 2005.
    [Auteur(s), ‘titel’, Naam krant, datum uitgave]
     
  • Online-bron
    Auteur bekend:
    L. Mijderwijk, 'Duitse keizer op Hollandse bodem' (versie 15 augustus 2002), http://www.geschiedenis.nl/artikelen/03/mijderwijk.html (11 november 2009)

    Instantie bekend:
    Koninklijke Bibliotheek, 'Dossier afschaffing slavernij (1863)' (versie 13 juni 2007), http://www.kb.nl/dossiers/slavernij/slavernij.html (11 november 2009)


    [Auteur(s). ‘Titel van de tekst/bron’. Titel van het volledige werk. Versie met datum, nummer van de jaargang (jaartal): aantal paragrafen/pagina’s [indien bekend], URL [volledig], (datum van raadpleging)]


Richtlijnen voor de scope note:
 

De scope note is een uitleg van de betekenis die de term in de thesaurus heeft. Het verschilt van een definitie in een woordenboek in het feit dat het niet alle betekenissen van een woord wil noemen maar het een enkele betekenis beschrijft. Hetzelfde woord kan zo vaker met verschillende betekenissen in de thesaurus voorkomen. De hiërarchische structuur maakt deze verschillen in een oogopslag duidelijk. De scope note definieert deze verschillen verder.
 
Let er op dat de scope note ook toepasbaar moet zijn voor de andere velden in het record. Dus zowel voor de descriptor alsook voor alternatieve termen en ‘ used for’ termen.
 
Vermijd plagiaat; bijvoorbeeld door het gebruik van rechtstreekse quotes uit andere bronnen bij het schrijven van de scope note. De informatie in de scope note moet daarentegen wel afkomstig zijn uit een gezaghebbende bron. Deze bron moet genoemd worden in het bronveld van de scope note.
 
De scope note moet kort en bondig zijn. De scope note is bedoeld om verscheidene relevante punten te behandelen; maar is geen volledige encyclopedische beschrijving. Een minimale beschrijving kan uit een of twee zinnen bestaan. De scope note mag niet langer worden dan 250 woorden. Het gebruik van lopende zinnen wordt aangeraden om onduidelijkheden te voorkomen. Volg verder alle regels voor Nederlandse spelling en grammatica.
 
Voor de structuur van onderwerpen in de scope note wordt onderstaande volgorde van punten toegepast. Laat onderdelen weg uit de scope note als die niet belangrijk of relevant zijn.
 
De scope note kan de volgende onderdelen bevatten: 
 
  • Het gebruik/de toepassing van het concept.
  • De betekenis en context van de descriptor en andere termen in het record/het concept.
  • Ter verduidelijking van het verschil met termen in in andere records, maar die overlappende betekenis hebben of die op een andere manier verwarrend kunnen zijn voor de gebruiker.
  • Gebruik een kernachtige volgorde die zoveel mogelijk informatie bevat:

1. Optioneel: herhaal de term.
Meestal wordt dit echter achterwege gelaten, tenzij het nodig is ter verduidelijking (bijvoorbeeld als de descriptor meervoud is maar de scope note over het enkelvoud spreekt of als de descriptor en de synoniem(en) - ‘used for’- term allebei in de scope note besproken worden).
2. Noem de klasse of bredere context van het concept.
3. Benoem de kenmerken die het concept onderscheidt van alle andere onderwerpen in zijn klasse.
4. Optioneel: voeg een aanvullende beschrijving toe over respectievelijk: het gebruik van het concept, een beschrijving van het object of de geschiedenis van het gebruik en ontwikkeling.
5. Refereer aan termen die gerelateerd zijn aan, of zich juist onderscheiden van het concept.

 
Voorbeeld scope note voor de term ‘water’  
(in meest voorkomende volgorde en stijl voor scope notes, dus zonder punt 1 en 4.)
 
Een vloeistof [klasse] bestaande uit moleculen waterstof en zuurstof in een verhouding van 2 staat tot 1 [onderscheidende karakteristieken]. De term ‘water’ verwijst normaliter naar de vloeibare vorm van deze verbinding. Voor de vaste of gasvormen worden de termen ‘ijs’ voor de vaste en ‘waterdamp’ voor de gasvorm gebruikt [gerelateerde termen].
 
 

4. Hierarchische, equivalente en associatieve relaties

4.1. Hierarchisch: broader term & narrower term

De broader term voorziet het concept van een soort of klasse en bepaalt daarmee zijn betekenis. Bijvoorbeeld 'stoelen' is een meer algemene term - een broader term - van 'bureaustoelen'. Een stapje hoger in de hiërarchie vinden we 'zitmeubels' als broader term van 'stoelen'. In een hiërarchische presentatievorm ziet dit er als volgt uit:
 
zitmeubels
.... stoelen
........ bureaustoelen
 
Qua structuur heeft de AAT in de loop der jaren een ingrijpende wijziging ondergaan: van een monohiërarchische naar een polyhiërarchische. Dit betekent dat één concept nu gelinkt kan zijn aan meerdere broader terms (parents), dus vanuit meerdere contexten benaderd kan worden. Een voorbeeld is het concept 'kapellen': dit kan een zelfstandig bouwwerk zijn, maar ook een (onzelfstandige) ruimte in een ander gebouw. Door de polyhiërarchische structuur is het nu mogelijk om beide betekenissen van 'kapel'  onder te brengen. In de AAT ziet dit er als volgt uit:
 
Preferred parent
Onderdelen
.... ruimten in Christelijke religieuze gebouwen
........ kapellen
 
Non-preferred parent
Bebouwde omgeving
.... religieuze gebouwen
........ kapellen
 
  • De aanduiding 'preferred parent' of 'non-preferred parent' heeft in dit geval geen voorkeursbetekenis. Het is eerder een technisch hulpmiddel om meerdere parents toe te kunnen kennen.

4.2. De soorten hiërarchische relaties tussen AAT concepten

Er bestaan drie soorten in een zuivere thesaurus.

1. Genus / Soort relaties:

De genus (geslacht) /soort of generieke relatie is de meest voorkomende relatie in de AAT. Alle ‘kinderen’ (narrower terms in de thesaurus) in een genus/soort relatie moeten een soort zijn, per type, of manifestatie van de ‘ouder’(broader term in de thesaurus). Een goede narrower term relatie kan worden getest door de ‘alle/sommige argumentatie. Bijvoorbeeld bij ‘brons’: alle ‘architecturaal brons’ is brons, maar alleen sommige brons is architecturaal brons.

brons
NT: architecturaal brons
NT: fosforbrons

2. Geheel / Deel relaties

Ook wel een partitieve relatie. Een geheel / deel relatie is een hiërarchische relatie tussen een groter geheel en een onderdeel of component hiervan. In de context van het catalogiseren van kunstcollecties, verwijst het doorgaans naar een relatie tussen twee werk records or twee records in een thesaurus (bijvoorbeeld: Florence is een deel van Toscane).

Geheel / deel relaties worden meestal gebruikt bij geografische locaties, delen van organisaties, lichaamsdelen, en andere concepten die niet gemakkelijk worden geplaatst in genus / soort relaties zoals unieke onderdelen van instrumenten. Elk ‘kind’ moet een deel zijn van de bovenliggende en alle andere voorouders erboven. In de AAT kunnen zij soms bestaan ​​tussen een onderdeel en een geheel object.

<snaarinstrumentonderdelen>
NT: fretten (snaarinstrumentonderdelen)
NT: halzen (snaarinstrumentonderdelen)
NT: kammen (snaarinstrumentonderdelen)

3. ‘Voorbeeld van’ relaties

 In aanvulling op geheel / deel en genus / soort relaties, kennen sommige terminologieën een derde soort hiërarchische relatie, de ‘voorbeeld van- relatie’ (instance: voorbeeld of geval van) benutten. Dit wordt het meest gezien bij woordenlijsten waar eigennamen worden georganiseerd door algemene categorieën van dingen of gebeurtenissen , bijvoorbeeld als de eigennamen van bergen en rivieren werden georganiseerd onder de algemene categorieën ‘bergen’ en ‘rivieren’ in een geografische databank.

 <christelijke feestdagen>
NT: Driekoningen

NT: Goede Vrijdag
NT: Hemelvaartsdag


4.3. De equivalente relatie; niet -voorkeursterm
 

Een term kan als een ‘voorkeursterm’ of als een ‘niet-voorkeursterm’ worden benoemd. Een niet-voorkeursterm is een term met eenzelfde betekenis als de voorkeursterm. In de AAT wordt alleen de voorkeursterm in de hiërarchie en bij indexering gebruikt. De Niet-voorkeursterm staat als 'use for' verwijzing in de thesaurus.

  • Niettemin voert de niet-voorkeursterm in de concept-gebaseerde structuur van de AAT terug op het unieke concept en kan dus door de gebruiker van de AAT wel als voorkeursterm in het eigen systeem worden gebruikt.

Niet-voorkeurterm kan voorkomen als:  een synoniem; een quasi synoniem; een leenwoord (een woord ontleend aan een vreemde taal); een regionale term (bv. Vlaams); een archaïsche term.

De associatieve relatie: related term

Termen kunnen met elkaar geassocieerd worden, maar hoeven dan niet per se gekoppeld te zijn in een hiërarchie. Dit betekent dat twee gelijkende begrippen met elkaar geassocieerd kunnen worden, hoewel ze onder verschillende ‘broader terms’ staan. Deze worden ‘related terms’ genoemd. Deze termen worden vaak gebruikt als hulpmiddel om termen te vinden die vergelijkbaar zijn met de eerste term, maar niet altijd meteen voor de hand liggend zijn.

Bijvoorbeeld:

<bouwwerken naar locatie>

… Poortgebouwen [voorkeursterm]

… … Conciërgewoningen [related term]

<ceremoniële bouwconstructies>

… gedenktekens [voorkeursterm]

… …aandenkens [related term]

… …gedenkzuilen [related term]

… …herdenkingsbogen [related term]

‘Poortgebouwen’ is geassocieerd met ‘conciërgewoningen’ en andersom. Dit omdat in de definitie het concept conciërgewoningen’ sterk lijkt op dat van ‘poortgebouw’, maar afwijkt in vorm. Het onderscheid wordt in de scope note aangegeven.

‘Gedenktekens’ heeft ‘aandenkens’, ‘gedenkzuilen’, en ‘herdenkingsbogen’ als related terms omdat dit objecten met een soortgelijke functie zijn maar die zich toch in een andere hiërarchie bevinden, bijvoorbeeld omdat de vorm sterk afwijkt.

 

Print pagina http://website.aat-ned.nl/toelichting-op-de-aat/richtlijnen